In de nacht van 1 op 2 april 1945 beleeft de dan 14-jarige Herman Heinink uit Oldenzaal angstige momenten. Kanongebulder en overvliegende granaten houden hem wakker. Als hij zich vroeg in de ochtend naar buiten waagt, ziet hij hoe de eerste Engelse en Canadese bevrijders van de ‘Manitoba Dragoons’ vanuit Enschede de stad binnen trekken. Dan weet hij: “We zijn vrij, echt vrij!”
Op deze memorabele Tweede Paasdag beleeft de 10-jarige Martin Meijerink, achter een ijzeren hek voor de Antoniuskerk aan de Spoorstraat, eenzelfde sensatie. Z’n eerste ervaring met Canadese soldaat is een pijnlijke. Als hij probeert een naar hem toe gegooide reep chocola op te rapen, trapt een buurmeisje hem hard op z’n hand. Weg chocola. Martin – 89 inmiddels – herinnert zich het moment dat hij z’n opgezwollen hand laat verbinden nog als de dag van gisteren.
Nadat op 1 april 1945, Eerste Paasdag, de Sicherheits Dienst en ’s middags rond vijf uur ook de ‘Ortscommandant’ uit Oldenzaal zijn vertrokken, zien leden van de Binnenlandse Strijdkrachten in de Emmastraat hoe de laatste Duitsers hun biezen pakken. De volgende ochtend om 7.30 uur rollen de eerste tanks van de geallieerden over de Enschedesestraat de stad binnen. Tien minuten later, als een colonne tanks, motoren en andere voertuigen door een haag van juichende inwoners via de Spoorstraat naar de Grote Markt trekt, is de bevrijding van Oldenzaal een feit.
De stad heeft relatief weinig te lijden gehad onder het oorlogsgeweld. Menselijk leed is er wel degelijk. Als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten maakt ook Gerard Wolbers (21) de bevrijding van Oldenzaal mee. Tragisch genoeg vindt hij later die dag de dood op de Lemseler Es als hij met enkele andere leden van de B.S. vanuit een langsrijdende auto met vluchtende Duitsers wordt beschoten.
Herman Heinink – overleden in 2020 – heeft zijn herinneringen aan de bevrijding van Oldenzaal even haarscherp beschreven als Martin Meijerink ze nog altijd kan navertellen. Bijvoorbeeld, hoe hij in een mengelmoes van Duits en Engels om sigaretten vraagt aan een Canadese soldaat. Die krijgt hij ook. Een voor z’n vader en een voor hem. “Wauw, een echte sigaret, een Wild Woodbine nog wel.” Even daarvoor heeft Herman met eigen ogen gezien hoe een Canadese soldaat met een mijndetector de spoorwegovergang op explosieven heeft veiliggesteld.
Maar Herman beleeft ook een hachelijk moment als de Duitsers, op de vlucht richting de grens, een kanon opblazen. Een scherf van het kanon scheert rakelings langs z’n hoofd en belandt in de bloembak, waarachter hij schuilt. “Het scheelde maar een paar centimeter, of ik had dit niet kunnen navertellen.” Herman bewaart de scherf jarenlang, maar doet de macabere stuk metaal op een gegeven moment toch maar weg. De herinnering draagt hij tot z’n dood in 2020 met zich mee.
De euforie rond de bevrijding maakt ook de kwajongen in Martin Meijerink weer wakker. Hij rept zich naar de bewaarschool, die door de Duitsers als opslagplaats is gebruikt. “Daar lagen luchtdrukpistolen, waarmee je lichtkogels kon afschieten.” Martin neemt een paar van die pistolen mee, met een kistje munitie, die hij verstopt onder het stro in het kippenhok achter z’n ouderlijke woning. Als het ’s avonds donker wordt, schiet Martin lichtkogels af, tot hij na een tijdje door een politieman wordt betrapt en in de kraag gevat.
De euforie rond de bevrijding van Oldenzaal kent ook een donkere kant. Net als overal elders in het land wordt er jacht gemaakt op zogenaamde ‘moffenmeiden’; jonge vrouwen, die een relatie hebben gehad met een Duitse soldaat. Martin Meijerink: “Ze knipten de haren van die meiden af, pakten een pot met teer en zetten daarmee een hakenkruis op hun hoofd.” De ouders van Martin, maar ook verschillende buren in de Carmelstraat houden zich daar verre van. “Doar doot wiej nich an met.”
Op een gegeven moment verzamelt zich voor garage Snijders op de hoek van de Spoorstraat en de Lyceumstraat wel een joelende menigte rond een paar opgepakte ‘moffenmeiden’. Martin ziet hoe de eigenaar van de garage met een plank naar buiten komt. “Die vloekte en riep: Noe is ’t ofloopn!” Met de plank slaat hij op de menigte in, die zich dan uit de voeten maakt. Een man uit de buurt staat er bij te lachen. Dat maakt Martin woedend. “Ik heb een baksteen gepakt en bij hem door de voorruit gegooid.”